Ochtendgedicht

terwijl ik woorden sprokkel,
strekt een zachtroos begin zich uit tussen stille reuzen
eerst brandend aan de randen,
dan zoet goud dat naar buiten smelt

wat er nu gezegd wordt,
heb ik zachtjes moeten loswrikken
zonder teveel te woelen in ongeschreven diepgang
met grof gesleten geduld dat in zinsnedes uitloopt

de vroegte brengt de blootvoetse vrijheid van wat nog kan
wat nog kan uitgesteld of afgezegd
wat niet ongedaan kan worden gemaakt,
ligt gehavend aan de poort van vandaag

deze dag,
die zijn naam nog nergens heeft gehoord, hangt al in mijn kleren
ademt doorheen de kieren van een onderdrukt gevoel
het tocht en trekt in de zinvulling van ongeplande leegtes
en wil niet worden gedicht